Het lokaal was leeg. De stoeltjes stonden netjes op de tafeltjes. Lotte keek naar de gele lichtstrook op de vloer.
Lotte greep strak in haar rugzakbanden. Ze ademde in, ademde uit. Toen duwde ze de deur open.
Ze liep naar binnen. In de hoek zaten drie tafeltjes. Iemand zat er al — hoofd gebogen, iets in handen.
Lotte sloop dichterbij. Haar sportschoen piepte op de vloer. Het kind keek niet op.
Lotte ging zitten. Ze zette haar rugzak neer, pakte het oranje boek uit haar tas en legde het op tafel, tussen hen in.
Het kind sloeg een pagina om. En nog een. Toen klonk er een klein snurkend lachje.
De hond op de pagina droeg nu een ruimteredpak. Hij zweefde langs kaasvormige sterren. Het kind lachte harder.
Het kind keek op. Hun ogen ontmoetten elkaar. Beide kinderen begonnen te lachen.
De bel ging. De kinderen keken allebei naar de deur. 'Tot ziens,' zei het kind zachtjes.
Lotte knikte. Ze glimlachte. Het lokaal voelde plotseling veel minder leeg aan.
'Ik ben Lotte,' zei ze zachtjes. 'Ik ben Tom,' zei het kind terug. Ze glimlachten.
Lotte liep naar buiten. Achter haar bleef het oranje boek achter op de tafel. Eenzaam was het lokaal niet meer.